Zaterdag 23 november 2024 lezing “De Gouden Eeuw van het katholieke lied”
Op een koude en regenachtige ochtend zijn ongeveer 40 donateurs en andere belangstellenden naar de Oud Katholieke Kerk aan het Bagijnhof gekomen voor onze halfjaarlijkse lezing.
Het was even wennen voor onze vaste bezoekers, omdat de gebruikelijke plek voor onze lezingen in de Jozefzaal van de Maria van Jessekerk was ingeruild voor de kerk op het Bagijnhof, waar de priester-dichter Jan Baptist Stalpaert van der Wiele (1579 – 1630)jarenlang heeft gewoond en gewerkt van 1612-1630.
Na een voorstelronde van Charles van Leeuwen, docent aan de Universiteit In Maastricht en auteur van veel historische en religieuze studies, vertelde Charles ons uitgebreid over het rijke en boeiende leven van deze Delftse dichter. Geboren uit een aanzienlijke Haagse familie, die na zijn rechtenstudie in Leiden en Orléans theologie ging studeren en priester werd. Werd in Delft rector van een religieuze gemeenschap van 80 vrouwen op het Bagijnhof, de z.g. ‘klopjes’. Deze vrouwen waren ook pastoraal actief in de toenmalige katholieke gemeenschap; waarbij veel in het verborgene vanuit de schuilkerk moest gebeuren.
In de lezing nam Charles van Leeuwen ons mee naar de wereld van de Beeldenstorm, de schuilkerken en de ‘Hollandse Missie’-met standplaats Delft. In het Westland herinnert nog veel aan zijn werkzaamheden. Ook toen was onze regio al een missiegebied, gezien vanuit Rome. Stalpaert van der Wiele (geboren op het Bagijnhof!) maakte ongeveer duizend nieuwe katholieke liederen, die vaak meerstemmig werden uitgevoerd. Dit waren pelgrimsliederen, bedoeld voor het heilig jaar in 1625, martelarenliederen en heiligenliederen. Liederen, die op bestaande muziek gemakkelijk bij diverse gelegenheden konden worden meegezongen. Stalpaert maakte daarbij gebruik van muziek die hij uit de Zuidelijke Nederlanden, Frankrijk en Italië had meegenomen.
Stalpaert van der Wiele liet zich ook horen in zijn vele geschriften over de politiek van zijn tijd en de godsdienstoorlogen in Europa.
Wat voor muziek klonk er in de huiskamers van Delftenaren als Pieter de Hoogh, Johannes Vermeer en Michiel van der Dussen? Hoe werd er gemusiceerd in de Delftse kerken van de Gouden Eeuw? Er is verrassend veel bekend over het muzikale kerkelijke erfgoed van die tijd. Tientallen jaren hebben Stalpaerts liederen in de huizen, kapellen en kerken van Delft en omgeving geklonken. De muziek en de teksten zijn ook nu nog interessant, regelmatig klinkt dit repertoire op concertpodia en bij Nederlandse koren.
Na de pauze luisterden we naar enkele liederen van Stalpaert (live gezongen!) en hoorden we hoe deze prachtige muziek uit de Gouden Eeuw geklonken heeft.
De lezingenochtend vloog voorbij met deze boeiende presentatie! Onder een hartelijk applaus overhandigde onze voorzitter aan Charles een presentje, als dank voor zijn boeiende voordracht. Een zeer geslaagde lezingenochtend en veel dank voor de genoten gastvrijheid in de Oud Katholieke Kerk.
Leuke wetenswaardigheid die Charles van Leeuwen ons uit de doeken deed is dat Stalpaert van der Wiele helemaal niet zo heette. Zijn echte naam was Jan Baptis Stalpart. Ergens gedurende zijn leven wilde hij de gedachte dat de vrome zielen na hun overlijden met door paarden getrokken wagens naar de hemel werden gevoerd in zijn naam tot uitdrukking laten komen. Hij veranderde zijn naam toen in Stalpaert van der Wiele.
Zaterdag 25 mei 2024 Lezing Christo Lelie “Delfts kerkelijk orgelerfgoed”
Delft is nog steeds rijk aan oude middeleeuwse kerken. Gelukkig zijn ook nieuwere kerken uit de periode in 2e helft van de 19e eeuw nog ruimschoots aanwezig.
Christo nam ons mee vanuit zijn passie voor orgels en voerde ons in vlot tempo langs een grote diversiteit van orgels die in onze Delftse kerken, soms al eeuwenlang, zijn te vinden (geweest).
Onderverdeeld in 4 groepen, leidde Christo ons langs kabinetorgels, orgels in de historische binnenstad, in de historische buitengebieden en langs ‘verdwenen’ orgels in Delft.
Aan bod kwamen o.m.de orgels van de Oude Kerk (1545), Nieuwe Kerk (1548), Schuilkerk aan het Begijnhof (1722), Waalse Kerk (1868) en het orgel van de Gasthuiskerk aan de Koornmarkt (1657), Hippolytuskapel (1725). Boeiende verhalen, feiten en jaartallen, rijkelijk voorzien met prachtige foto’s kwamen in grote hoeveelheid voorbij.
Orgels kwamen en gingen in Delft en waaierden na vervanging uit naar andere kerken in Nederland, soms in het buitenland.
Niet alleen besteedde Christo aandacht aan het uiterlijk en de bouw van de orgels, maar voerde ons ook mee naar klank, kleur van de orgelpijpen, componisten en orgelcomposities.
Onderliggende boodschap van Christo: wees zuinig op onze orgels, zeker als (dreigende) kerksluitingen om de hoek komt kijken!
Tijd te kort voor een bevlogen organist om alle informatie voor het voetlicht te brengen. Voor we het beseften was de lezing voorbij.
Zaterdag 4 november 2023 Excursie dag naar Gouda
Dit keer vierde onze stichting het 20-jarig bestaan, Dat deden door met onze donateurs een excursie te maken naar Gouda: een interessante dagtocht naar Museum Gouda en de St. Janskerk Gouda.
Met de bus vertrokken we voor een boeiend programma met, hoe kan het ook anders, kerkelijk erfgoed in de 750 jaar bestaande en historische stad Gouda.
Aangekomen in het museumcafé, werden er 3 groepen geformeerd die afzonderlijk, onder begeleiding van een deskundige gids, tekst en uitleg kregen over de vele historische voorwerpen en objecten in kerk en museum.
Veel bewonderenswaardige ramen zijn te zien in de St. Janskerk, die in ouderdom teruggingen naar het midden van de 16e eeuw en gelukkig in goede staat bewaard zijn gebleven. We werden in het verhaal mee teruggenomen naar het jaar 1570, met op de ‘Goudse Glazen’ vele metershoge Bijbelse taferelen. Vakkundig en boeiend werden deze ramen toegelicht.
We bezochten ook Museum Gouda, beter bekend als de ‘schatkamer van de stad’. Het huist in het Oude Catharine Gasthuis, een prachtig 15de-eeuws gebouw, pal achter de St. Janskerk en verscholen tussen de historische gebouwen, in het oudste stukje van Gouda.
Religieuze Kunst, Gouds Plateel en Schuttersstukken, tijdelijke tentoonstellingen, te veel om op te noemen, was in het museum te zien.
Donateurs die gewoonlijk elkaar niet of nauwelijks ontmoeten, hadden het in de eeuwenoude ambiance onderling zeer naar de zin!
Zaterdag 13 mei 2023 Lezing Kerkelijk erfgoed door de eeuwen heen door mw.drs. Frédérique Brinkerink
Mevr. Brinkerink stelde in een boeiende lezing dat het Nederlands religieus erfgoed rijk is, zeer rijk. Er zijn meer dan 7000 kerken, synagogen, tempels en moskeeën. Ca. 5000 daarvan zijn in gebruik. Maar door het afnemend aantal actieve gelovigen, komt toch heel wat erfgoed in gevaar. Kerken worden aan erediensten onttrokken.
Met mooie voorbeelden voerde zij ons langs een aantal kerken, zoals de St. Petruskerk in Vught, de Westerkerk in Utrecht en toonde andere kunst- en erfgoedstukken in Nederland.
Al spoedig kwamen wij uit bij de eeuwenoude St. Janskerk in Gouda, met 72 gebrandschilderde ramen, waarvan 61 uit de jaren 1530-1603, die of als schenking of in opdracht van de geestelijkheid of adellijke personen zijn vervaardigd, w.o. Philips II en Willem van Oranje. Hier wordt ook de unieke verzameling van de ontwerpschetsen voor de gebrandschilderde glazen bewaard. Deze tekeningen, cartons genaamd, zijn op dezelfde schaal vervaardigd als de glazen! Op enthousiaste en boeiende wijze legde zij uit hoe deze cartons werden geconserveerd, gerestaureerd en nu worden bewaard in een speciale kluis, beschermd tegen licht en klimaatwisselingen. In het verleden waren de bewaaromstandigheden nog niet zo goed als nu; maar in de loop van de afgelopen decennia is er veel vakkundig gerestaureerd en voor de toekomst veiliggesteld. Een aantal Delftenaren heeft ook hier weer in latere jaren (eind 19e eeuw) hun sporen verdiend bij het ontwerp en vervaardigen van de Goudse glazen.
Zij noemt de Delftse glazenier Jan Schouten (1852-1937) en de ons zeer bekende tekenaar van de kruiswegstaties in de St. Hippolytuskerk Herman Veldhuis (1887-1954), die verbonden was aan dit atelier. Ook de Delftse kunstenaar Dirk Boode (1891-1957) passeerde de revue als ontwerper en restaurateur van de Goudse glazen.
Vervolgens besteedde zij aandacht aan het ‘Liturgisch Vaatwerk’, binnen de Katholieke en Protestantse kerken met Eucharistie- en Avondmaalsvieringen. Haar belangrijke vraag was: zijn het gebruiksvoorwerpen in de liturgie of zijn het museale stukken die misschien wel achter glas in een museum dienen te liggen? Veelal wordt niet onderkend dat er in de kerken bij de vieringen zeer kostbaar erfgoed wordt gebruikt. Een antwoord is niet direct te geven.
Over de genoemde onderwerpen ‘Kunsthandel’ en ‘Liturgisch Vaatwerk’ wist zij ons veel informatie voor te schotelen, maar ongemerkt klikte de klok naar het einde. Met haar verhaal in het achterhoofd kijken wij nu al uit naar onze SKED-jubileumreis naar de St. Janskerk en Museum Gouda op 4 november.
Zaterdag 12 november 2022 Lezingen bij opening tentoonstelling “Modern Kerkelijk Erfgoed”

Op deze zaterdagochtend is onze nieuwe tentoonstelling geopend, voorafgegaan door de lezing van Ria van Oosten.
De voorwerpen bestrijken de periode 1900-2000. Vooruitlopend op haar lezing stelde Ria zich voor (Delft beeldend kunstenares). Geboren in Scheveningen vertelde zij over haar jeugd, opvoeding en haar binnenkomst in de kunstenaarswereld.
Boeiend vertelde zij over haar passie om de 14 beelden van de kruisweg van Christus te maken (van het verraad van Jezus in de Hof van Getsemane tot aan de graflegging). Bevlogen en vol enthousiasme wist zij haar gehoor van de aanwezige donateurs aan zich te binden in het proces van beelden maken, die vanuit het basismateriaal van klei met veel geduld gevormd en bewerkt werden. De opmerkingen van Ria: “vorm zit in je hart” en “je gevoel in een beeld leggen” werden steeds duidelijker zichtbaar bij het zien van haar prachtige beelden, waar de expressie vanuit haar hart ‘vanaf spat’.
Ook de heftigheid in het uitgebeelde lijden en sterven van Christus, deed het gehoor stil worden van bewondering. De uitbeelding van de extra statie nr. 15 (de Opstanding), waarbij de duif een centrale rol speelt in het beeld kreeg veel bewondering en waardering.
Zaterdag 14 mei 2022 lezing “Het religieuze leven van de Kartuizers in Delft” door Steven Jongma
Voor een aandachtig gehoor startte Steven Jongma (stadsarcheoloog van Delft) zijn verhaal door eerst een schets van de ontstaansgeschiedenis van de orde der Kartuizers te geven.
De Grande Chartreuse is het moederhuis en het eerste klooster van de orde van de Kartuizers. Het klooster ligt op ongeveer twintig kilometer ten noorden van de stad Grenoble in Frankrijk.
Het klooster werd in 1084 gesticht door de Duitse heilige Bruno van Keulen. De naam Grande Chartreuse verwees ofwel naar het dorp Saint-Pierre-de-Chartreuse ofwel naar de streek Chartreuse.
Kartuizers leven in aparte huisjes in door muren omsloten tuintjes, onderling verbonden met lange gangen. Op een centrale binnenplaats staan doorgaans een kerk en een groot houten kruis. Voor ieder kartuizerklooster zijn/waren vaste grenzen aangewezen, waarbinnen de monniken zich mochten begeven voor enige ontspanning of een wandeling. Dit gebied moest ver genoeg van de bewoonde wereld af liggen.
De kartuizers zouden de strengst levende monniken van het westerse kloosterwezen zijn. Ze omschrijven hun leven als een totale contemplatie en toewijding aan God in de stilte van hun cel. In ieder geval besteden ze dagelijks 7x tijd aan de getijdengebeden, spreken alleen met elkaar op een wekelijkse wandeling en op feestdagen, en dan nog zeer kort, doen maar een klein gedeelte van het dagelijkse programma samen en blijven de rest van de tijd in hun kluis. Kartuizers voorzien in hun eigen levensonderhoud door ambachtelijke activiteiten die in hun cel kunnen uitgevoerd worden.
Wat voor het leven nodig was, moest zo veel mogelijk van het eigen kloosterterrein worden gewonnen, eventueel met behulp van lekenbroeders. Ook de maaltijden werden door lekenbroeders aan de Kartuizermonniken in hun cel aangereikt.
De ideale Kartuis bestond uit 12 monniken en een prior, plus ongeveer evenveel lekenbroeders. De latere Delftse Kartuis was, zo bleek uit de opgravingen, op 20 monniken berekend.
Terug naar Delft:
De stichting van het Delftse klooster werd voorbereid door Frank van Borselen, de laatste echtgenoot van Jacoba van Beieren. Zijn bijdrage wordt geraamd op 8000 Rijnsguldens, zo’n 500.000 Euro. In 1469 verleende de pastoor van de Sint Hippolytuskerk toestemming een kloosterleven binnen zijn parochie te leiden. In 1470 kwam een viertal monniken naar Delft om een en ander op te starten onder leiding van Simon van der Schueren, die ook de eerste rector werd. Al na een eeuw, in 1572, werd het klooster op bevel van Willem van Oranje afgebroken. Hij wilde voorkomen dat het vijandelijke Spaanse leger zich kon vestigen in kastelen, kloosters en boerderijen en van daar uit de stad Delft zouden bedreigen. Veel gebruiksvoorwerpen werden, vnl. in de beerputten op het terrein, teruggevonden. oa. kopergravures, een vuurklok, voor het doven van vuurtjes in de cel van de kloosterlingen, afbeeldingen van pijpaarde tableaus met bijbelvoorstellingen.
Tachtig jaar na het slopen van het klooster was er in het terrein niets meer te zien dat duidde op de vroegere aanwezigheid van het klooster.
In 1959 stuitte men bij graafwerkwerkzaamheden, ten behoeve van woningbouw in de Krakeelpolder, op brokken metselwerk en werden water- en afvalputten ontdekt.
Aan de Aletta Jacobsstraat, hoek Westlandseweg, staat een herdenkingsmonument Kartuizerklooster
met de contouren van het klooster uitgetekend.